Add parallel Print Page Options

Rechtspraak vanuit het heiligdom

17 ‘Offer nooit een ziek of gebrekkig rund of schaap aan de Here, uw God. Hij heeft een afkeer van zoʼn geschenk!

2,3 Als iemand in een van de dorpen of steden van uw land het verbond met God verbreekt door andere goden, de zon, de maan of de sterren te aanbidden—wat Ik streng verboden heb— controleer dit dan eerst zorgvuldig. Als er geen twijfel bestaat over de waarheid ervan, zal die man of vrouw buiten de stad worden gebracht en door steniging worden gedood. Maar breng nooit iemand ter dood als er maar één getuige tegen hem is, het moeten er minstens twee of drie zijn. De getuigen zullen de eerste stenen gooien, waarna alle mensen zullen meehelpen het vonnis te voltrekken. Op die manier zult u al het kwaad uit uw midden verwijderen.

Als u een zaak wordt voorgelegd, die te moeilijk voor u is—bijvoorbeeld als iemand schuldig is aan moord wanneer niet genoeg bewijs tegen hem bestaat of als inbreuk is gepleegd op iemands rechten—dan moet u met die zaak naar het heiligdom van de Here, uw God, gaan, naar de priesters en Levieten. De dienstdoende rechter zal over die zaak een uitspraak doen.

10 U moet handelen volgens de rechtspraak die vanuit het heiligdom wordt vastgesteld. Het vonnis moet nauwkeurig worden uitgevoerd. 11 En de straf die op deze wijze is bepaald, moet volledig worden uitgevoerd. 12 Als de beklaagde de beslissing van de priester of rechter, die door God in dit ambt is aangesteld, niet wil aanvaarden, krijgt hij de doodstraf. Zulke zondaars moeten uit Israël worden verbannen. 13 Als iedereen hoort wat er gebeurt met degene die Gods uitspraak durft tegen te spreken, zal men er wel voor oppassen nog eens een gerechtelijke uitspraak te betwisten.

14 Wanneer u aankomt in het land dat de Here, uw God, u zal geven en u het hebt veroverd en u bent van mening dat u een koning zou moeten hebben, net als de volken rondom u, 15 zorg er dan voor dat u diegene tot koning uitroept die de Here, uw God, zal uitkiezen. Hij moet een Israëliet zijn, geen buitenlander. 16 Let erop dat hij geen omvangrijke paardenstallen bouwt noch zijn dienaren naar Egypte stuurt om daar paarden te halen, want de Here heeft tegen u gezegd: “Ga nooit meer terug naar Egypte.” 17 Ook mag hij niet te veel vrouwen hebben, anders zou zijn hart zich van de Here kunnen afkeren. Hij mag ook niet buitensporig rijk zijn. 18 Als hij gekroond is en als koning op de troon zit, moet hij uit het boek dat de Levieten bewaren, een kopie maken van al deze wetten. 19 Hij moet die kopie altijd bij zich hebben en er elke dag in lezen, zijn leven lang. Dan zal hij leren ontzag te hebben voor de Here, zijn God, door al zijn geboden te gehoorzamen en alle daarin gegeven voorschriften uit te voeren. 20 Het regelmatig lezen in Gods wetten zal ervoor zorgen dat hij zich niet boven zijn onderdanen gaat verheffen. Ook zal dat hem ervan weerhouden af te dwalen van Gods wetten, zodat hij en zijn zonen een lange en goede regeringsperiode zullen hebben.’

Waarschuwing tegen heidense godsdiensten

18 ‘Denk eraan dat de priesters en de andere leden van de stam Levi geen grondgebied krijgen zoals de andere stammen. Daarom moeten zij leven van de offers die het volk naar het altaar van de Here brengt. Zij hebben geen erfelijk bezit nodig, want de Here is hun erfdeel! Dat heeft Hij hun beloofd. De schouder, de wangen en de maag van elk rund en elk schaap, dat als offer wordt gebracht, moeten aan de priesters worden gegeven. Bovendien ontvangen de priesters hun aandeel van de oogst die u de Here als dankoffer brengt, het eerste koren, de nieuwe wijn, de olijfolie en de eerste wol van het schaapscheren. Want de Here, uw God, heeft de stam Levi uit alle stammen gekozen om de Here van generatie op generatie te dienen. 6,7 Iedere Leviet, waar hij ook leeft in Israël, heeft het recht naar het heiligdom te gaan op de tijd die hij zelf kiest en daar te dienen in de naam van de Here, net als zijn broeders, de Levieten, die daar geregeld hun werk doen. Zijn deel van de offers zal hem als een recht worden gegeven, niet alleen als hij het nodig heeft.

Wanneer u in het beloofde land aankomt, moet u ervoor oppassen dat u niets overneemt van de vreselijke gewoonten van de volken die daar nu leven. 10 Laat niemand van u zijn kind aanbieden als brandoffer aan de heidense goden of zich bezighouden met toverij. Hij mag geen boze geesten om hulp vragen, noch een waarzegger zijn. 11 Hij mag geen slangen bezweren, medium of tovenaar zijn of de geesten van de doden oproepen. 12 De Here heeft een diepe afkeer van ieder die dit soort dingen doet. Daarom zal de Here, uw God, de volken die zich met deze zaken bezighouden, uit het land verdrijven. 13 U moet een zuiver leven leiden voor de Here, uw God. 14 De volken waarvan u het land in bezit zult nemen, houden zich allemaal bezig met zaken als toverij en waarzeggerij. Maar de Here, uw God, zal niet toestaan dat u dat ook doet.

15 De Here zal een profeet in uw midden laten opstaan, iemand zoals ik. U moet naar hem luisteren. 16 U hebt God zelf daarom gesmeekt bij de berg Horeb. Daar aan de voet van de berg smeekte u dat u nooit meer zou hoeven luisteren naar de stem van God of het vuur op de berg zou hoeven zien, omdat u anders bang was om te sterven. 17 “Goed,” zei de Here tegen mij, “Ik zal doen wat zij Mij hebben gevraagd. 18 Uit het midden van uw broeders zal een profeet opstaan zoals u. Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen en hij zal zeggen wat Ik hem opdraag. 19 Ik zal rekenschap vragen van degene die niet gelooft wat hij namens Mij zegt.

20 Maar iedere profeet die zegt dat hij namens Mij spreekt, maar dat niet doet of die zegt een boodschap van andere goden te brengen, moet sterven.” 21 Als u zich afvraagt: “Hoe kunnen wij er achter komen of die boodschap nu wel of niet van de Here afkomstig is?”, 22 is dit het antwoord: als zijn profetie niet uitkomt, heeft de Here hem zijn boodschap niet gegeven, hij heeft hem zelf verzonnen. Van zo iemand hoeft u zich niets aan te trekken.’

Vrijsteden

19 ‘Wanneer de Here, uw God, de volken heeft vernietigd van wie u het land zult innemen, en u in hun steden en huizen woont, 2,3 moet u drie steden aanwijzen als vrijsteden. Zo kan iemand die onopzettelijk een ander heeft gedood, zichzelf in veiligheid brengen. Verdeel het land in drie gebieden, met in elk gebied een vrijstad. Zorg ervoor dat de wegen naar die steden in goede staat verkeren. Ik noem u een voorbeeld van iemand die zijn naaste per ongeluk doodt, dus zonder hem te haten, en die dan naar een van deze steden kan vluchten. Als iemand met zijn buurman het bos in gaat om hout te hakken en het blad van de bijl schiet van de steel en doodt de buurman, kan hij naar een van de vrijsteden vluchten. Hij zal daar veilig zijn 6,7 voor eventuele wrekers van de dode. De drie vrijsteden moeten verspreid liggen, zodat er altijd één in de buurt ligt. Anders zou de wreker de onschuldige dader kunnen inhalen en hem doden, zonder dat die de doodstraf heeft verdiend omdat hij zijn buurman niet met opzet heeft gedood. Als de Here uw land vergroot, zoals Hij uw voorouders heeft beloofd, en Hij u al het land geeft dat Hij heeft beloofd (of Hij dat zal doen, hangt af van uw gehoorzaamheid aan deze geboden die eisen dat u de Here, uw God, zult liefhebben en op zijn wegen zult wandelen), dan moet u daar drie extra vrijsteden aan toevoegen. 10 Zo zult u voorkomen dat in uw land onschuldigen worden gedood en zult u niet verantwoordelijk worden gesteld voor onrechtvaardig bloedvergieten. 11 Maar als iemand zijn naaste haat en hem vanuit een hinderlaag bespringt en vermoordt en daarna naar een van de vrijsteden vlucht, 12 dan zullen de leiders van zijn woonplaats hem daar laten ophalen en hem overleveren aan de wreker van de dode, zodat die hem kan doden. 13 Heb geen medelijden met zo iemand! Zo bevrijdt u zich van de bloedschuld die op Israël rust en dan het zal goed met u gaan.

14 Als u aankomt in het land dat de Here, uw God, u geeft, steel dan geen land van uw buurman door stiekem de grenspalen te verplaatsen die zijn voorouders volgens hun rechtmatig erfdeel hebben geplaatst. 15 Veroordeel niemand op grond van de uitspraak van slechts één getuige. Er moeten minstens twee of drie getuigen zijn. 16 Als iemand een vals getuigenis aflegt en zegt dat hij iemand anders iets strafbaars zag doen terwijl dat niet waar is, 17 moeten beide mannen voor de priesters en rechters worden gebracht die op dat moment dienst doen voor de Here. 18 Zij moeten zorgvuldig worden ondervraagd en als blijkt dat de getuige liegt, 19 zal zijn straf dezelfde zijn als die hij de andere man toewenste. Op die manier zult u het kwaad uit uw midden wegdoen. 20 Wie ervan horen, zullen dan wel oppassen dat ze geen leugens vertellen als zij moeten getuigen. 21 U mag geen medelijden hebben met een valse getuige. Hierbij geldt: leven om leven, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.’

De rechters en leiders (vervolg)

17 Slacht voor jullie Heer God nooit een dier dat niet helemaal gezond is. Want jullie Heer God vindt dat verschrikkelijk.

Stel dat in één van de steden die de Heer jullie gaat geven, iemand wordt ontdekt die ongehoorzaam is aan jullie Heer God. Hij houdt zich niet meer aan het verbond. Hij is andere goden gaan aanbidden en dienen, ook al heeft de Heer dat verboden. Of hij aanbidt bijvoorbeeld de zon, de maan of de sterren. Als jullie zoiets horen, moeten jullie goed nagaan of het waar is. Als blijkt dat zoiets verschrikkelijks inderdaad in Israël gebeurt, moeten jullie de man of vrouw die dit heeft gedaan, naar de poort brengen.[a] Daar moeten jullie hem met stenen doodgooien. Als twee of drie mensen hetzelfde vertellen over wat er gebeurd is, moet die man of vrouw worden gedood. Maar als er maar één getuige is, mag hij niet worden gedood. De mensen die zeggen dat de persoon schuldig is, moeten zelf als eerste een steen gooien. Daarna de andere mensen. Zo moeten jullie het kwaad uit Israël wegdoen.

Stel dat een rechtszaak voor jullie te moeilijk is. Bijvoorbeeld als er iemand is gedood, of als er een ruzie is, of als er iemand gewond is geraakt (want dat zijn redenen om naar een rechter te gaan). Ga dan naar de plaats die jullie Heer God zal uitkiezen Vraag daar aan de Levitische priesters en de rechter om raad. Dan zullen zij erover beslissen. 10 Jullie moeten je houden aan de beslissing die zij nemen. Jullie moeten precies doen wat zij jullie hebben gezegd. 11 Jullie mogen niets aan hun beslissing veranderen. 12 Als iemand het waagt om niet te doen wat de priester of de rechter over die zaak heeft besloten, moet hij worden gedood. Zo moeten jullie het kwaad uit Israël wegdoen. 13 Dan zal het hele volk dit horen en diep ontzag hebben en niet meer eigenwijs zijn.

Regels voor het aanwijzen van een koning

14 Straks hebben jullie het land veroverd en wonen jullie in het land dat de Heer jullie geeft. Misschien willen jullie dan een koning hebben, net als de volken om jullie heen. 15 Laat dan de man die de Heer jullie aanwijst, koning over jullie worden. Hij moet iemand van jullie eigen volk zijn, een Israëliet. Dus geen buitenlander, die geen Israëliet is. 16 Maar jullie koning mag niet veel paarden verzamelen (voor het leger).[b] En hij mag geen mensen naar Egypte sturen om meer paarden te krijgen. Want de Heer heeft tegen jullie gezegd: 'Jullie mogen nooit meer naar Egypte teruggaan.' 17 Ook mag hij niet veel vrouwen nemen, want dan zou hij misschien verleid worden om God te verlaten. [c] Ook mag hij niet te veel goud en zilver verzamelen.[d] 18 Als hij koning is geworden, moet hij voor zichzelf een kopie laten maken van deze wet die de Levitische priesters hebben. 19 Hij moet die kopie altijd bij zich hebben en er zijn hele leven in lezen. Zo zal hij leren om diep ontzag te hebben voor zijn Heer God. En zo zal hij zich aan alle wetten en leefregels houden die er in staan. 20 Dan zal hij niet trots worden en zal hij niet gaan denken dat die wetten voor hem niet gelden. En hij zal niet ongehoorzaam worden aan deze wet. Dan zullen hij en zijn zonen lang over Israël regeren.

Inkomsten van priesters en Levieten

18 De Levitische priesters, en de hele stam van Levi, zullen geen eigen gebied en geen eigen stuk grond hebben, zoals de rest van Israël. Ze zullen leven van de offers die aan de Heer gegeven worden. Daarom zullen ze geen eigen gebied hebben, zoals de andere stammen. In plaats daarvan hebben ze de Heer, zoals Hij hun heeft beloofd.

De priesters hebben recht op een deel van de offers. Als jullie een dier komen offeren, zijn de schouder, de wangen en de maag voor de priester. Ook moeten jullie het eerste deel van jullie oogst van het graan, de wijn en de olijf-olie aan de priester geven. Ook de eerste wol van jullie schapen. Want jullie Heer God heeft de stam van Levi uit al jullie stammen uitgekozen om Hem altijd te dienen.

Stel dat een Leviet in één van de steden van Israël woont en graag naar de plaats wil gaan die de Heer zal uitkiezen. Hij wil, net als de Levieten daar, zijn Heer God gaan dienen in het heiligdom. Dan krijgt hij dezelfde hoeveelheden van de offers als de andere Levieten. Het maakt niet uit hoeveel geld hij zelf heeft doordat hij de erfenis van zijn vader heeft moeten verkopen.

Waarzeggerij en profetie

Als jullie in het land zijn gekomen dat de Heer God aan jullie gaat geven, moeten jullie niet dezelfde verschrikkelijke dingen gaan doen als de volken die daar nu wonen. 10 Niemand van jullie mag zijn zoon of dochter als brand-offer offeren. Jullie mogen op geen enkele manier aan waarzeggerij doen. Niet met een wichelroede, niet door voortekens uit te leggen en niet door toverij. 11 Jullie mogen ook geen geesten oproepen, met geesten praten of de geesten van gestorven mensen om raad vragen. 12 Want de Heer vindt het verschrikkelijk als jullie dat doen. De volken die nu in het land wonen, doen deze verschrikkelijke dingen wel. Juist daarom jaagt de Heer God hen voor jullie weg. 13 Maar júllie moeten helemaal rein zijn voor de Heer God.

14 De volken die jullie nu gaan wegjagen, luisteren naar waarzeggers en tovenaars. Maar de Heer God wil niet dat júllie dat doen. 15 Hij zal jullie in plaats daarvan een profeet geven, iemand van jullie eigen volk, een Israëliet zoals ik. Naar hém moeten jullie luisteren. 16 Want daar hebben jullie op de berg Horeb om gevraagd op de dag dat jullie daar bij jullie Heer God moesten komen. Toen zeiden jullie: 'We willen niet langer de stem van de Heer God horen en dit grote vuur niet langer zien. Want we zijn bang dat we erdoor worden gedood.' 17 Toen zei de Heer tegen mij: 'Het is goed wat ze hebben gezegd. 18 Ik zal hun een profeet geven, iemand uit hun eigen volk, een Israëliet zoals jij. Ik zal hem vertellen wat hij tegen hen zeggen moet. 19 Als de mensen niet luisteren naar wat de profeet namens Mij moet zeggen, zal Ik hen daarvoor straffen. 20 Maar als een profeet eigenwijs wordt en beweert dat hij namens Mij spreekt terwijl Ik hem die dingen niet gezegd heb, zal Ik hem doden. Ook als hij namens andere goden spreekt zal Ik hem doden.'

21 Jullie vragen je misschien af hoe jullie kunnen weten of hij de woorden van God spreekt of niet. 22 Stel dat een profeet zegt dat hij namens de Heer spreekt, maar er gebeurt niet wat hij heeft gezegd, dan had de Heer hem die boodschap niet gegeven. De profeet is eigenwijs geworden en heeft zomaar iets gezegd. Jullie hoeven je van hem niets aan te trekken.

De vrijsteden

19 Jullie Heer God gaat de volken vernietigen die nu in het land wonen. Jullie gaan hun gebied veroveren en in hun steden en huizen wonen. Wanneer jullie daar wonen, moeten jullie drie steden apart houden. Verdeel het land in drie stukken en wijs in elk stuk een vrijstad aan. Iemand die per ongeluk iemand anders heeft gedood, kan daarheen vluchten. Verdeel de vrijsteden zó over het land, dat de afstand tot een vrijstad overal ongeveer even groot is. Als iemand per ongeluk iemand anders heeft gedood (dus niet omdat hij hem haatte), mag hij naar die vrijstad vluchten om in leven te blijven. Ik zal jullie een voorbeeld geven. Stel dat je met iemand in het bos hout gaat hakken. Je zwaait je bijl om een boom om te hakken. Het ijzer schiet los van de steel en het raakt de andere man, zodat hij wordt gedood. In zo’n geval kun je naar één van die steden vluchten en in leven blijven. Als de afstand naar de stad te groot is, zou de man die wraak komt nemen voor de dood van die ander, je kunnen inhalen. En dan zou hij je doden, ook al heb je de doodstraf niet verdiend omdat je niet uit haat hebt gedood. Het was een ongeluk. Daarom moeten jullie drie steden apart houden.

Op een gegeven moment zal de Heer God jullie land groter maken, zoals Hij aan jullie voorvaders Abraham, Izaäk en Jakob heeft beloofd. Hij zal jullie het hele land geven dat Hij aan jullie voorvaders beloofd heeft. Maar dan moeten jullie je wel precies houden aan alles wat ik jullie nu zeg. Jullie moeten van de Heer God houden en altijd leven zoals Hij het wil. Als jullie land dan groter wordt, moeten jullie nóg drie steden aanwijzen. 10 Want anders zouden er onschuldige mensen worden gedood in het land dat de Heer God jullie gaat geven doordat de afstand tot een vrijstad te groot is. Dan zouden jullie schuldig zijn aan hun dood.

11 Maar als iemand een ander expres doodt en dan naar één van deze steden vlucht, 12 dan moeten de leiders van zijn stad hem daar laten ophalen. Ze moeten hem uitleveren aan de man die de dood van die andere man komt wreken. En hij moet hem doden. 13 Jullie mogen hem niet in leven laten. Want hij heeft expres gedood. Zo moeten jullie de schuld voor de dood van onschuldige mensen uit Israël wegdoen. Dan zal het goed met jullie gaan.

14 Jullie families zullen allemaal een eigen stuk grond krijgen. De grenzen daarvan worden nu vastgesteld. Die grenzen moeten voor altijd hetzelfde blijven in het land dat de Heer jullie geeft. Jullie mogen de grenzen dus niet verleggen.

Beschuldigingen

15 Jullie mogen niemand veroordelen als er maar één persoon is die hem beschuldigt. Dat mag alleen als twee of drie mensen hetzelfde kunnen vertellen over wat er is gebeurd.

16 Als iemand een ander expres beschuldigt van iets wat niet waar is, 17 moeten ze samen bij de Heer komen, bij de priesters en de rechters die er dan zijn. 18 Dan moeten de rechters de zaak goed uitzoeken. Als blijkt dat de man de ander inderdaad expres beschuldigd heeft van iets wat niet waar is, 19 dan moeten jullie hem de straf geven die hij de ander had willen geven. Zo moeten jullie het kwaad uit Israël wegdoen. 20 Want de andere mensen zullen ervan horen en ontzag hebben en zoiets niet nog eens durven doen. 21 Jullie moeten hem straffen met de straf die de ander had zullen krijgen: een leven voor een leven, een oog voor een oog, een tand voor een tand, een hand voor een hand, een voet voor een voet.[e]

Footnotes

  1. Deuteronomium 17:5 In de poort verzamelden zich de wijze mannen van een plaats. Daar behandelden ze de rechtszaken.
  2. Deuteronomium 17:16 God wilde niet dat de koning op de sterkte van zijn leger zou vertrouwen, maar dat hij op Hem zou vertrouwen.
  3. Deuteronomium 17:17 Koningen trouwden vaak met dochters van verschillende buitenlandse koningen, om zo de kans op oorlog met die koningen te verkleinen. Maar God wilde niet dat de koning op zijn verbonden zou vertrouwen voor zijn veiligheid, maar dat hij op Hem zou vertrouwen. Bovendien brachten die buitenlandse vrouwen hun eigen goden mee het land in, wat de koning gemakkelijk op het verkeerde pad kon brengen.
  4. Deuteronomium 17:17 God wilde niet wil dat de koning zou vertrouwen op zijn geld waarmee hij bijvoorbeeld een leger kan huren, maar dat hij op Hem zou vertrouwen.
  5. Deuteronomium 19:21 Maar dus ook nooit méér dan dat. Dit voorkwam jarenlange vetes waarbij elke keer wraak werd genomen voor wat de ander was aangedaan.

17 Do not sacrifice to the Lord your God an ox or a sheep that has any defect(A) or flaw in it, for that would be detestable(B) to him.(C)

If a man or woman living among you in one of the towns the Lord gives you is found doing evil in the eyes of the Lord your God in violation of his covenant,(D) and contrary to my command(E) has worshiped other gods,(F) bowing down to them or to the sun(G) or the moon or the stars in the sky,(H) and this has been brought to your attention, then you must investigate it thoroughly. If it is true(I) and it has been proved that this detestable thing has been done in Israel,(J) take the man or woman who has done this evil deed to your city gate and stone that person to death.(K) On the testimony of two or three witnesses a person is to be put to death, but no one is to be put to death on the testimony of only one witness.(L) The hands of the witnesses must be the first in putting that person to death,(M) and then the hands of all the people.(N) You must purge the evil(O) from among you.

Law Courts

If cases come before your courts that are too difficult for you to judge(P)—whether bloodshed, lawsuits or assaults(Q)—take them to the place the Lord your God will choose.(R) Go to the Levitical(S) priests and to the judge(T) who is in office at that time. Inquire of them and they will give you the verdict.(U) 10 You must act according to the decisions they give you at the place the Lord will choose. Be careful to do everything they instruct you to do. 11 Act according to whatever they teach you and the decisions they give you. Do not turn aside from what they tell you, to the right or to the left.(V) 12 Anyone who shows contempt(W) for the judge or for the priest who stands ministering(X) there to the Lord your God is to be put to death.(Y) You must purge the evil from Israel.(Z) 13 All the people will hear and be afraid, and will not be contemptuous again.(AA)

The King

14 When you enter the land the Lord your God is giving you and have taken possession(AB) of it and settled in it,(AC) and you say, “Let us set a king over us like all the nations around us,”(AD) 15 be sure to appoint(AE) over you a king the Lord your God chooses. He must be from among your fellow Israelites.(AF) Do not place a foreigner over you, one who is not an Israelite. 16 The king, moreover, must not acquire great numbers of horses(AG) for himself(AH) or make the people return to Egypt(AI) to get more of them,(AJ) for the Lord has told you, “You are not to go back that way again.”(AK) 17 He must not take many wives,(AL) or his heart will be led astray.(AM) He must not accumulate(AN) large amounts of silver and gold.(AO)

18 When he takes the throne(AP) of his kingdom, he is to write(AQ) for himself on a scroll a copy(AR) of this law, taken from that of the Levitical priests. 19 It is to be with him, and he is to read it all the days of his life(AS) so that he may learn to revere the Lord his God and follow carefully all the words of this law and these decrees(AT) 20 and not consider himself better than his fellow Israelites and turn from the law(AU) to the right or to the left.(AV) Then he and his descendants will reign a long time over his kingdom in Israel.(AW)

Offerings for Priests and Levites

18 The Levitical(AX) priests—indeed, the whole tribe of Levi—are to have no allotment or inheritance with Israel. They shall live on the food offerings(AY) presented to the Lord, for that is their inheritance.(AZ) They shall have no inheritance among their fellow Israelites; the Lord is their inheritance,(BA) as he promised them.(BB)

This is the share due the priests(BC) from the people who sacrifice a bull(BD) or a sheep: the shoulder, the internal organs and the meat from the head.(BE) You are to give them the firstfruits of your grain, new wine and olive oil, and the first wool from the shearing of your sheep,(BF) for the Lord your God has chosen them(BG) and their descendants out of all your tribes to stand and minister(BH) in the Lord’s name always.(BI)

If a Levite moves from one of your towns anywhere in Israel where he is living, and comes in all earnestness to the place the Lord will choose,(BJ) he may minister in the name(BK) of the Lord his God like all his fellow Levites who serve there in the presence of the Lord. He is to share equally in their benefits, even though he has received money from the sale of family possessions.(BL)

Occult Practices

When you enter the land the Lord your God is giving you, do not learn to imitate(BM) the detestable ways(BN) of the nations there. 10 Let no one be found among you who sacrifices their son or daughter in the fire,(BO) who practices divination(BP) or sorcery,(BQ) interprets omens, engages in witchcraft,(BR) 11 or casts spells,(BS) or who is a medium or spiritist(BT) or who consults the dead. 12 Anyone who does these things is detestable to the Lord; because of these same detestable practices the Lord your God will drive out those nations before you.(BU) 13 You must be blameless(BV) before the Lord your God.(BW)

The Prophet

14 The nations you will dispossess listen to those who practice sorcery or divination.(BX) But as for you, the Lord your God has not permitted you to do so. 15 The Lord your God will raise up for you a prophet like me from among you, from your fellow Israelites.(BY) You must listen to him. 16 For this is what you asked of the Lord your God at Horeb on the day of the assembly when you said, “Let us not hear the voice of the Lord our God nor see this great fire anymore, or we will die.”(BZ)

17 The Lord said to me: “What they say is good. 18 I will raise up for them a prophet(CA) like you from among their fellow Israelites, and I will put my words(CB) in his mouth.(CC) He will tell them everything I command him.(CD) 19 I myself will call to account(CE) anyone who does not listen(CF) to my words that the prophet speaks in my name.(CG) 20 But a prophet who presumes to speak in my name anything I have not commanded, or a prophet who speaks in the name of other gods,(CH) is to be put to death.”(CI)

21 You may say to yourselves, “How can we know when a message has not been spoken by the Lord?” 22 If what a prophet proclaims in the name of the Lord does not take place or come true,(CJ) that is a message the Lord has not spoken.(CK) That prophet has spoken presumptuously,(CL) so do not be alarmed.

Cities of Refuge(CM)

19 When the Lord your God has destroyed the nations whose land he is giving you, and when you have driven them out and settled in their towns and houses,(CN) then set aside for yourselves three cities in the land the Lord your God is giving you to possess. Determine the distances involved and divide into three parts the land the Lord your God is giving you as an inheritance, so that a person who kills someone may flee for refuge to one of these cities.

This is the rule concerning anyone who kills a person and flees there for safety—anyone who kills a neighbor unintentionally, without malice aforethought. For instance, a man may go into the forest with his neighbor to cut wood, and as he swings his ax to fell a tree, the head may fly off and hit his neighbor and kill him. That man may flee to one of these cities and save his life. Otherwise, the avenger of blood(CO) might pursue him in a rage, overtake him if the distance is too great, and kill him even though he is not deserving of death, since he did it to his neighbor without malice aforethought. This is why I command you to set aside for yourselves three cities.

If the Lord your God enlarges your territory,(CP) as he promised(CQ) on oath to your ancestors, and gives you the whole land he promised them, because you carefully follow all these laws I command you today—to love the Lord your God and to walk always in obedience to him(CR)—then you are to set aside three more cities. 10 Do this so that innocent blood(CS) will not be shed in your land, which the Lord your God is giving you as your inheritance, and so that you will not be guilty of bloodshed.(CT)

11 But if out of hate someone lies in wait, assaults and kills a neighbor,(CU) and then flees to one of these cities, 12 the killer shall be sent for by the town elders, be brought back from the city, and be handed over to the avenger of blood to die. 13 Show no pity.(CV) You must purge from Israel the guilt of shedding innocent blood,(CW) so that it may go well with you.

14 Do not move your neighbor’s boundary stone set up by your predecessors in the inheritance you receive in the land the Lord your God is giving you to possess.(CX)

Witnesses

15 One witness is not enough to convict anyone accused of any crime or offense they may have committed. A matter must be established by the testimony of two or three witnesses.(CY)

16 If a malicious witness(CZ) takes the stand to accuse someone of a crime, 17 the two people involved in the dispute must stand in the presence of the Lord before the priests and the judges(DA) who are in office at the time. 18 The judges must make a thorough investigation,(DB) and if the witness proves to be a liar, giving false testimony against a fellow Israelite, 19 then do to the false witness as that witness intended to do to the other party.(DC) You must purge the evil from among you. 20 The rest of the people will hear of this and be afraid,(DD) and never again will such an evil thing be done among you. 21 Show no pity:(DE) life for life, eye for eye, tooth for tooth, hand for hand, foot for foot.(DF)